Alexander definieert ‘Aanbestedingsafstand’ als het verschil tussen de beleidsambities van de overheid en de feitelijke uitvoering in de praktijk. Dit ontstaat wanneer wettelijke regelingen niet strikt worden nageleefd. Zijn onderzoek wijst uit dat deze afstand geen kwestie is van onwil, maar een structureel verschijnsel dat wordt gevoed door een complex samenspel van bureaucratische belangen, politieke sturing en de weerbarstige dagelijkse realiteit waarin beleidsdoelen vaak botsen met de praktijk. Hierbij komen de drie pijlers van het Europese inkoopbeleid aan bod (het juridisch kader, strategische doelen zoals duurzaamheid en grensoverschrijdend aanbesteden) waarbij hij laat zien waarom de uitvoering vaak stroperiger verloopt dan op papier wordt beloofd.
Daarnaast zal Alexander dieper ingaan op de verklaringen voor dit verschil, waarbij hij de nadruk legt op de cruciale rol van de individuele inkoper. Uit zijn onderzoek blijkt dat de intrinsieke motivatie en professionaliteit van ambtenaren de afstand kunnen verkleinen, terwijl een grotere mate van beleidsvrijheid juist vaker leidt tot afwijkingen van de formele regels om aan interne organisatiewensen te voldoen maar ook leidt tot betere inkoopuitkomsten. Aan de orde komt hoe ambitieuze criteria voor bijvoorbeeld duurzaamheid in de praktijk kunnen leiden tot onnodig hoge kosten en complexe procedures. De kern van zijn betoog draait om het voortdurende dilemma voor inkopers: het vinden van de juiste balans tussen het behalen van succesvolle resultaten en het correct naleven van de inkoopregels.

